Een nacht, heel stil
Brahms, Johannes
Een nacht, heel stil, zij was nog pril
een stem hief aan te klagen.
De wind, die nacht heeft zoet en zacht
naar mij die klacht gedragen.
Van lijden droef zo zwaar en stroef
is toen mijn hart gebroken
de bloemen zijn met tranen fijn
door mij weldra begoten.
De mooie maan wil ondergaan
om voor dit leed te schuilen
de sterren luid hun stralen uit
met mij zij willen huilen.
Geen vogel zingt noch vreugde klinkt
dat kun je wel geloven.
Zelfs het wilde dier heeft geen plezier
op rotsen en in kloven.