Ochtend-bede

D. Lange

De Nacht week in het woud, en, bij haar vluchten,

Heeft ze op struweel en bloem een dauw-kristal

Geweend, dat glinstert in de zon, en zuchten

Luwt ze uit het woud, langs berg en beemd en dal;

En dáar, op 't smalle pad, in hooger luchten,

Ontwaar ik haar, die wuift, mijn ziel, mijn al....

Doch uit mijn hart rijst naar die hooge luchten

De klacht: hoe klein, hoe klein is mijn heelal

Maar neen! haar lokken zijn van zonnegoud,

En 's hemels blauw is 't blauw dier droomende oogen

Haar boezem is de berg en 't golvend woud:

O, zomer, zonneschijn en hemelbogen,

Waarin haar aangezicht mijn liefde aanschouwt, -

Heelal, waarvoor ik biddend lig gebogen