Ommekeer

D. Lange

Door ál wat leeft, gevoelde ik mij verlaten,

En nergens was ik, en met niets, tevreden;

Elk haatte mij, zoo meende ik, zonder reden:

Ik leed en leed, en kon den haat niet haten.

'k Verlangde, en wist niet wat; ik heb gebeden;

'k Zag al wat slecht was; vond Natuur verwaten,

En ijdel 't leven; wie een lach bezaten,

Der domheid kroost, die ketterleer beleden. -

Toen zag ik ú, en kon geen meening uiten:

'k Had vreugde, vrede, liefde weergevonden,

'k Zag, waar gij traadt, een bloem, een roze ontspruiten.

Natuur en Menschheid voelde ik mij verbonden:

In ú wilde ik 't Heelal in de armen sluiten....

Gij, engel! zijt mij tot geluk gezonden! -