Liefdelied

E. Hullebroeck

Waarom weenen de bloemen, van zaligheid zat,

Elken morgend de blaadjes der kelken nog nat!

Ze zien mij toch dwalen, mistroostig alleen,

langs den wegel waar vroeger wij gingen getween.

Waarom zingen de vogels nog immer hun lied?

O ze voelen de drukte mijns harten dan niet?

Ze spelen en kwelen als vroeger en meer,

het is overal leutig alwaar ik mij keer.

Waarom dartelt het windje nog vroolijk alom?

Waarom klingelt het klokje zoo blijde, waarom?

Ze laten mij loopen mistroostig alleen,

langs den wegel waar vroeger wij gingen getween.

Het is winter daar binnen, het woelt er zoo bang,

In het diepste mijns harten zwijgt morgend gezang!

Komt, buldert orkanen, voort zonder gena!

Want de liefde werpt doornen alom waar ik ga!