Het dode gaaike
E. Jaarsma
Daar treurde een vinkje bij haar gaaike dood,
En sprak: 'Kunt gij uw wieken niet bewegen,
Kunt gij niet staan? Nooit hebt ge zóo gezwegen....
Gij zijt mijn gaaike niet, dat vroolijk floot!
Dit is geen vogel meer: hij schijnt ontbloot
Van wenschen, en zoo rustig neêrgezegen,
Alsof hij, wat hij wenschte, had verkregen,
En of hij lang-gehoopt geluk genoot.'
- 'Dood' (sprak een oude raaf) 'is uw genoot:
Nooit kust hij meer, nooit hoort ge meer zijn zangen.' -
Toen schreide 't vinkje: haar gemis was groot...
'Dank, hadt gij lief! 't geluk heeft hij ontvangen,'
(Zei de ander), 'leven en verlangen vlood:
Gelukkig is, wie niets heeft te verlangen.'