Kerstlied no.1
E. Jaarsma
Dien nacht, toen Jozef nauwlijks sliep,
hoorde Maria een stem, die riep:
'Vrees niet! U zal geen leed geschiên!
Doe open! Ik wil uw kindje zien!'
Zacht stond zij op, ontsloot de deur,
En ziet! Daar stond een vreemdling veur,
gedoscht, alsof hij een ridder was,
met helm, halsberg en harrenas,
met een reuzig kruiszwaard, vlammend als vuur,
en aan elken schouder een wiek van azuur.
En toen die nu vóor het kribbeken stond,
lei hij eerbiedig zijn helm op den grond,
boog diep het hoofd en knielde neer
en sprak: 'Ik groet u, mijn Vorst en Heer!
Maria, nú is de tijd volbracht!
De Poort van Eden ontsloot, dees nacht...
Voor állen staat zij weer open thans...
Nu kan ik keeren in 's Hemels glans!
En 't zwaard der Wraak, mijn Vorst, mijn Heer,
aan uw rozevoetjes leg ik het neer.'
Traag richtte zich op de hemelling,
zette zijn helm op het hoofd, en ging.