Der lente lieflijk oogen

F. Van der Stucken

Der lente lieflijk oogen

Zien nit het gras mij aan;

Het zijn de veldviooltjes

Die ik mag plukken gaan.

Ik pluk ze en sta te droomen

En at ik heimlijk droom

Dat zingt het nachtegaaltje

Zoo luid in gindschen boom.

Ja, wat ik droom dat zingt het

Hel schaatrend in het rond;

En't heeft mijn zielsgeheimnis

Aan heel het bosch verkondt.