Laatste wandeling
G. Muller
Nog éens met u naar het groene woud,
Nog éens naar het zilvren meer,
Nog éens met u door het korengoud,
Nog éens en dan nimmer weer!
En blinkt een traan op mijn bleeke wang?
-- O, 't is maar een regendrop,
Die beefde aan den rand van een blad al lang
En viel uit den beukentop.
Hoe golft die weelde van korengoud,
Met menige bloem, als ster!
Hoe zingt de ziel van het plechtig woud,
Als orgelmuziek van ver!
Die witte wolk aan de blauwe lucht,
Die zwaan op het rimplend meer,
Zij weten wel, dat mijn vreugde vlucht:
Nog éens en dan nimmer weer.
Op de oude plekjes wel alle twee,
Maar elk met zijn eigen ziel...
En vroeger was mij uw ziel en zee,
Waar mijn ziel, als een vloed, in viel.
Nu zijn wij twee en wij waren éen...
En
ik
heb u zóo bemind,
-- Neen, denk niet dat ik u zóo beween! --
Als een moeder haar eenig kind.
Gij dézen weg en ik d'andren dus,
Door 't woud, langs mijn glinstrend meer...
Uw hand! uwe oogen! uw vlammenkus!...
Nog éens en dan nimmer weer!