De bruine bie

H. Beekhuis

Wat hangt gij daar te praten

aan die blomme, o bruine bie;

waarop, waaruit, waarover

ik u ronken hoore en zie?

Gij zijt er met uw'neuze en

met uw' tonge al ingegaan;

gij het eraan geroken

en van alles aan gedaan,

daarom, daarin, daarover,

op uw' vlerken alle twee:

ik wonder hoe die blomme u

laat geworden, zoo ter lee!

Och, ware ik in heur' plaatse, ik

hiet u varen, en ik sloot

zoo seffens al dat werk, al

dat geruchte uit mijnen schoot,

en 'k...: "Rap, uit mijnen weg en

uit mijn zunne, dat ik zie:

houdt op, en laat mij werken,

of ik strale u!" zei de bie.