De winden

H. Beekhuis

De zee, de zee, ze 'n zoeft bijkans

zoo zeer niet als de boomen,

daar, wild, de winden deure rijen,

te peerde, en zonder toomen.

Aan 't roepen gaan tienduizenden

tienduizenden van blâren,

alsof 't zoveel tienduizenden

van dolle menschen waren.

De regen ronkt, en geuten gaan,

gegeeseld, allenthenen,

de natte boomen buigen doen,

en bulderen en stenen.

Hoort! Nog nen keer, en nog nen keer,

hertuiten en hertieren

de wilde winden: wederom

is 't zeegeruchte aan 't gieren.

Geen einde ervan! De vogels zijn

gevlucht, de takken breken;

verloren is de stemme mij

gegaan. - De winden spreken.