Maneschijn

H. Zagwijn

De zon der nacht kwam uit de bergen klimmen,

En zoomt met zilver de afgedoolde wolken:

Het water wentelt ze in zijn blanke kolken,

En doet ze in kabbelende rimpels glimmen;

Door 't glanzend bergwoud dolen doffe schimmen,

Die, slank en trillend, bosch en berg bevolken...

De stilte alleen kan al die rust vertolken:

De nacht houdt de adem in; de rotsen glimmen:

Aan ieder sprietje bleef een dauwdrup hangen, -

De hitte werd door de avonddauw gevangen,

En geurt er mede uit de aard, die liefde wademt;

De mensch luikt vol genot de droomende oogen,

En 't luwtje, als liefde al zoetjes aangevlogen,

Heeft kussend hem den sluimer ingeademd...