Nacht

H. Zagwijn

't Is zomernacht. De glinsterende stoeten

Der starren wijken rondom eindloos diep; -

't Was of de stilte plechtig tot mij riep:

'Bid! op de starren rusten Godes voeten!'...

Ik weet, ik weet niet wie de wereld schiep,

Of ze is geschapen, of we aanbidden moeten,

Wat wij als leven, ziel of god begroeten, -

Of eeuwig slapen zal, wat eeuwig sliep! -

Daar tjuikt de nachtegaal zijn teeder lied,

Tevreden dat hij 't klagend lied mag zingen, -

Waarom hij zingt, dat weet de zanger niet;

Wat rusten kan, voelt zich de rust doordringen, -

Ook ik. Ik weet niet, wat ik denken moet,

Doch voel het: wie tevreden is, is goed.