Ik wil mij gans U geven nu
J. Tinel
Ik wil mij gansch U geven nu,
o liefste Jesu, zoet;
den loop van al mijn leven, U,
mijn herte en mijn gemoed.
Aanveerdt mijn herte en 't Uwe zij,
o Jesu, ook gegeven mij:
verwisseling van liefden doet
met mij, o Jesu zoet.
'k Beminne U, uit der maten zeer,
o liefste Jesu, [zoet,
die] zegt dat ik U volgen, Heer,
en U beminnen moet;
ik vrage U dan, o Jesu, kind,
die kinderherten meest bemint,
dat Gij mij 't alderhoogste goed
in U beminnen doet.
Van herten zijn wij één voortaan,
o liefste Jesu, zoet,
ik wil door alle smerten gaan,
door allen tegenspoed;
en sterven zal ik, onversaagd,
zoo Gij mij in Uw herte draagt,
en nimmermeer daaruit en doet,
o Jesu, Jesu zoet!