Waterlelie
J. Vink
Mijn ziel lag open als een waterlelie
En wachtte vroom het zomer-evangelie.
Op hemelblauw weerkaatsend water veilig
Zich wanend, lag ze in aandacht blank en heilig.
Toen plofte plots een plompe steen - verraden,
Look droef de lelie de alabasten bladen.
Lang hield de kelk dien harden steen besloten,
Dien zwaren steen, het Leven ruw ontschoten.
Diep dook de lelie met dien steen beladen,
In donkren grond vol donkre worteldraden.
Tot ze, eindlijk vrij, haar kelk, de wreed verscheurde,
Naar d'ouden droom van louter blauwheid beurde.
Zij durft niet drijven op het klaar-azuren
Vlak van den vijver, ze is te vol kwetsuren,
Voor hellen morgen ál te fel gehavend....
O wieg haar teeder, zilvren schemeravond!