Daar wonen vogelkens vele
K. Mestdagh
Daar wonen vogelkens vele
in ' t nesteken van mijn hert:
de vogelkens mijner blijheid,
de vogelkens mijner smert.
Zij zingen er gansche dagen,
nu treurig, dan luid en blij,
maar wat zij neuren of zingen,
mijn liefken, ' t is al van dij!
Want o! Sinds du, dien avond,
dijn minne mij hebs bekend,
sints is mijn winter verzwonden,
gekomen de blijdste Lent!
De blijdste Lent mijnes herten,
met bloemen, geur- en fleur,
met lovers en groene blaren
en zoete windengeneur! …...
Nu ben ik niet meer alleene
en zuchtend als voorheen,
en vreugde en heil en smerte,
wij dragen het al getween.
Nu sta ik niet meer te weenen
bij bosch- ofwaterkant;
gij staat mij troostend ter zijde
en drukt mij teer de hand.
Gij zijt des daags de zonne
die zoet mij tegenlacht
Gij zijt de zoete sterre -
die mij verlicht des nacht -
Gij zijt mijne dierbre verloofde,
gij zijt de wereld voor mij!
daarom zingen alle de vogelkens
mijns herten veur dij, veur dij!…..