Ballade van de Zee

L. Mortelmans

Een visser zal zijn ganse dagen

Een trouwe liefde in 't harte dragen,

En wat hij eert en wat hij mint,

't is eerst vooral een golvenkind.

De barre ruggestreng der duinen

Met hare heuvlen, hare woeste kruinen

Zijn wellusthoven naar zijn oog.

Op zee gevoelt hij zich als koning.

De roeve is zijn zoetste woning.

En boven hem het sterrendak

En onder hem het deinend vlak.

Zijn oog moet door de ruimte staren

Tot waar de lucht rust op de baren.

Geen zachter wiegelied

dan 't suizen der klopzee, klotsend aan de

kluizen.

Hij vliegt met zijn ontploken vlerken

Op baren breed en hoog als kerken.

Het zwellend zeil, het trekt en spant

Dat kraakt het staand en lopend want.

Met zeewind moet zijn borst gevuld,

Met pekelwaai gezult.

Stormgeloei of liefijk fuistren,

Hij blijft getrouw haar stem beluistren!

In lief en leed, in wel en wee.

De zee alleen, alleen de zee!