Dapper strijen de musschen

R. Herberigs

Dapper strijen de musschen tusschen

't hout, dat op de boomen staat;

eer ze, legschgezinden, vinden

elke mussche heur' medemaat.

Neerstig dan aan 't nesten vesten

zijn ze, en, met hun' vogeltee'n,

doen ze haarkes, hooikes, strooikes

tot een keurig nestje ineen.

't Wiegske klaar, zoo vallen ze allen

stille; en, na geen lang verbei,

thuisgebrocht van aver taver,

ligt in elken nest een ei.

Nog een, nog een, nog een... och een

musschennest halfvol, zoo 'k zie;

en, dat worden musschen, tusschen

hier en nog een' weke of drie.