Twee horsen

R. Herberigs

Ze stappen hun' bellen al klinken,

de vrome twee horsen te gaar;

ze zwoegen, ze zweten; en blinken

doet 't blonde gelijm van hun haar.

Ze stappen, ze stenen, ze stijven

de stringen; en 't ronde gareel,

het spant op hun' spannende lijven:

de voerman beweegt ze aan een zeel.

De wagen komt achter. De rossen,

gelaten in 't lastig geluid

der schokkende, bokkende bossen,

gaan, stille en gestadig, vooruit.

Geen zwepe en behoort er te zinken,

geen snoer en genaakt er één haar;

zoo stappen, hun' bellen al klinken,

de vrome twee horsen, te gaâr.