De weide was van bloemen bont
W. Andriessen
De weide was van bloemen bont,
de boomen ruischten waar wij gingen;
'k hoorde alom de vogels zingen:
Mij dacht dat ik hun lied verstond.
Toen g'aan uw arm mij rondgeleidde,
was't of de hemel openviel:
als bloesems vielen in mijn ziel
de woorden die gij zacht mij zeide.
Van toen heeft mij uw hart behoord,
mijn Lief, mijn lust, mijn vreud', mijn smarte,
Sinds als een bruidskrans om mijn harte
draag ik de weelde van uw woord.