Zomer

W. Andriessen

O lieve, laat uw zuchten zijn, en woel in weelden,

De schaduw boordt met zonneschijn haar bonte beelden.

De merel merelt in het groen haar lieve lusten,

En al de jongen blaren doen alsof zij kusten.

O zie, de zomer bloemt en bloeit vol klare kleuren!

De wijde weide glanst en gloeit vol warme geuren!

De zaden bobbelen op het kruid; de vlinders krielen;

Het leven ademt leven uit, de zielen zielen.

Kom, lieve, en laat een kus, een lach, Uw wangen droogen,

laat blij de blauwen als de dag Uw blinkend' oogen.

Kom mee, kom mede, kom wij gaan langs gouden wegen,

waar alle zonnen ondergaan den avond tegen.

En waait de wind in zwaren nacht, door zwarte boomen:

O zijg aan mijne zijde zacht, om zoet te droomen.

Ik zal u hangen om den hals, en waken, waken,

en niets en zal uw mondeke als mijn lippen raken.