Lievelingskind

W. Andriessen

Blond kopj'in bloeiende lentepracht,

met bloemblauwe oogen, waar zonlicht in lacht,

en zonnige lokken, met zonneglans

omstralend dat kopj'als een heiligen krans.

Er moest om je heen immer zonnegoud zijn,

teerwitte seringen, en geur'ge jasmijn,

blankzijige leeljen en rozenaroom:

Een zonnige, zalige zomerdroom!

De lente zal welken, kind, veel te vroeg,

en't licht, dat vreugd' in je leven loeg!

En haar geur zal vergaan als een stervende zucht,

verbleeken't lokkende blauw van de lucht.

Maar bloeien blijft, wat geen herfst u rooft,

de krans mijner liefd' om je blonde hoofd,

en de wijdingen mijner handen vroom:

Een zonnige, zalige zomerdroom.