Appelona
A. Voormolen
In 't rijzen van den koelen dach,
Als yder noch te slapen lach,
Zat Appelona, die ik sach
('t Zijn my geen dromen)
In de schaauw der bomen,
En streelde een Luyd,
Terwijl sy uyt
Een heldere boesem song,
Stil hiel de tong,
Die 't geveert
Van het hele Woud braveert,
Het singen,
't Springen,
't Fluyten
't Tuyten,
En't fwieren,
Gieren
Inde
Linde,
Leefde,
Sweefde,
Was nu stil, en sat
Te luysteren;
't Fluyst'ren
Van de blaan ging sacht.
O Goon
Zo schoon
Een Zang
Haar dwang
Heeft my verkracht.