Spijtig Klaartje

A. Voormolen

Spytig klaartje sou haar baden

Moedernaakt in eene beek,

Die langs klavere boorden streek,

Overschaaut van wilge-bladen;

Grage Reynoudt sat en keek,

Watertandend door de rietjes;

En by riep eens soet met een:

Noch wat dieper, tot de knietjes;

Daer mee droop sy schaamroot heen.