Zomerzang

A. Voormolen

Als wy door groene beemden gaan,

Daar veelderhande bloempjes staan,

Die tot ons al iet willen spreken,

Met wit en blaauw, en roodt en geel,

Vermengt, besprengt, so schoon en eel.

Hoe wel, hoe naast en dicht bekeken,

Terwyl zy haren geest van geur

Door 't aangename lyf van kleur

So hart-verquicklyk van sich geven,

En 't wintje, vegende over 't hof

Met bloeysel-reuck, het ruysend lof

Der hoge Popelaars doet beven,

De morgen-son so heerlyck blinckt,

En koele dauw van kruytjes drinckt

By't tuytren, fluyten, singen, quelen

Van 't luchtig, vluchtig pluymgediert,

Dat tusschen Aerde en Hemel swiert

En door de tackjes heen gaat spelen;

Dan dencken wy in ons gemoet:

O, Paradys, wat syt Gy soet!...