Avond

C. Kee

De schaduw waast van heuv'len neer,

En vlijt zich over 't land;

Mat-blauw en effen ligt het meer

Met riet aan d'oeverrand.

Met riet dat flauwtjes suist en trilt

In zwakke zucht van wind;

Een eenzaam struikje vluchtig rilt

Als 't'huiv'ren van een kind.

De lucht voelt vochtig-warm en moe,

De duisternis genaakt;

Gedwee vouw ik mijn oogen toe,

Herinnering ontwaakt.