Morgen

C. Kee

De zon begint zijn dageglans,

En maakt den mist tot goud,

Die als een luchte stralenkrans

Bekroont het ernstig woud.

Op d'akker ligt de nevel blank

Gedonsd als moll'ge sprei,

Het heuvelmeertje grijpt een sprank

Van zon, en glimoogt blij.

Ik hoor een fijne tonenvlucht,

Ver, ver, uit wolkbegin;

Ik adem diep de morgenlucht

Met lange teugen in.