Volg de verborgen paden
H. Kauder
Volg de verborgen paden
Van lust en weemoed.
Er groeien donkre zaden
Van dood en deemoed.
In groenen schemer
Van bosch of onder water
Is een gewemer
Van wortels: bloemen later.
Hun zieklijk-blanke
Gestalte en kleuren,
Hun doordringend-kranke
Droevige geuren,
Al hun zeldzame leven dat den dood begeert
Leeft van die vreemde verwachting vol, in zich gekeerd.
Er volgden de donkre paden
Van bosch langs water
Riddervrouwe en poortersknaap: de zaden
Van hartstocht nu in hen: de bloemen later.
Hun vlucht was langs woud-holen,
Verdwaald van reddende stroomen,
Door een bleek maanlicht.
Zij kenden elkander, verstolen
Zochten ze vol schromen
Elkanders aanzicht.
Hun handen beefden, hen droegen de paarden
Langs wegen waar ridders en roovers dreigden.
Hen velde, haar verloste zijn zwaard en
Zij renden verder: hun harten hijgden.
Door de duistere bosschen - de stroom was ver verborgen -
Voerden de paarden hen: ze ontstegen ze ijlig
Bij een hut in een lichting - ver was de morgen
Toen ze er bleven, veilig.
Zij vol verlangen,
Hij vol vereering -
Om zijn hals sloeg ze haar armen: haar wangen
Aan de zijne, deelde haar mond zijnen zoete leering.
'Te groot, o vorstin,' was zijn beven,
'Mij die belooning!
Gaf 'k u van mijn liefde mijn leven
Ook ter betooning' -
Bitter haar lach toen. 'Te groot'. Niet zijn armen
Sloeg om haar leên hij,
Die te verwarmen.
Knielde als voor zoo vorstlijke liefde te kuisch, te kleen hij? –
Zweeg ze? maar in haar brandde
Die droom van een avond.
Haar mond, om zijn schande,
Droomde in zijn bloed zich lavend.
Ze ontkwamen: in haar Stede
Om gezocht misdrijven
Stond naast hem de beul op 't schavot, hem te ontlijven.
Zij - op raad en bede -
(Haar vrienden, zijn vader, stonden daar allen)
Zou, voor 't zwaard daald', haar sluier doen vallen.
Vrij zou hij uitgaan. Maar in stille wreede
Verliefde bloeddroomen zat ze op haar troon en gaf geen teeken.
't Hoofd viel: 't bloed stroomde: kil en snel was het bleeken
Van haar wangen en haar lippen -
Maar den sluier lieten - ook toen niet - haar handen glippen.
Langs de verborgen paden
Van lust en weemoed
Groeien donkre zaden
Van dood en deemoed.