Aanzoek
H. Zagwijn
Wat werd ik zonderling op eens te moede,
Toen gij mij, lieve, vleiend hadt gevraagd:
'Aanbid, met mij vereend, de Moedermaagd,
En neem mijn godsdienst aan: het is een goede.
Ik zal Haar bidden, dat Zij u behoede:
Dat mijn geloof ook in ùw harte daagt;
Geloof als ik, het ongeloof verlaagt,
En 'k hoop, dat uw gemoed nog vroomheid voede!'
Zoo fleemdet ge, en gij zaagt mij smeekend aan;
Ik had zoo gaarne toen uw zin gedaan:
't Geloof is beter dan het niet-gelooven.
Doch neen, behoud uw godsdienst, mijn vriendin!
Hij maakt u goed, Iaat mij mijn eigen zin:
Wat hij ú schenkt, dat zou hij mij ontrooven. -