Was dat een lied

H. Zagwijn

Zij is verdwenen in het lichtend duister,

Ver in de verre verte, en nimmer keert,

Goddank! helaas! die stonde, die bezeert,

Bezielt, bezaligt.... 't Noodlot brak den kluister,

Den zachten, die twee helften samen-meert

Tot één geheel van liefde, leven, luister....

Het scheidingsuur van tranen en gefluister

Vlamt door de ziel, die scheidend minnen leert.

Mijn oog staart naar de verre nevelbanken,

En staart beneveld naar den blauwen boog,

Van tranen grauw.... het regent op mijn handen.

Was dat een lied, dat door mijn boezem toog?

Die klagend-teeder-blijde vogelklanken -

Ik hoor ze, en voel ze in traan en ziele branden!