Kalliope

H. Zagwijn

En driewerf kruiste ik de armen, driewerf drukte

Ik niets, en niet de blonde Muze er in:

En tot mij sprak de stralende godin,

Toen zij ten kus zich naar mijn voorhoofd bukte:

'Ik zond de vrouw tot u, die u verrukte....

Ik zeide u 't aan: gij mindet met een min,

Zóo vol aanbidding, zóo vol vromen zin,

Dat ze u aan al, wat háar niet was, ontrukte.

Ze is van u heen; thans zeg ik u: voorwaar!

Ge aanzaagt... ge aanbadt - u trok, wat is verheven:

U daagde een schoonheids-ideaal in haar.

Toen zaagt ge weêr, naar wat ge aanbadt, gedreven;

Zij bleef zichzelve, gij werd kunstenaar;

't Verheevne, dat verhief, leeft in uw leven!'