Eerrijckjen

B. Van den Sigtenhorst-Meyer

Eerrijkje zat onbeladen

sluimerlog in 't grasje bol,

waar haar schaapjes wit van wol

hunne honger graag verzaden.

Bloemerd wierp met rozenbladen

in haar aanzicht, nek en krop.

Haar gelaat begon te strangen:

hij, gedienstig, van haar wangen

las ze met zijn lippen op.