Haesjen

B. Van den Sigtenhorst-Meyer

Haasje op het lopen stelde

bei haar voetjes vlug, zo gauw,

dat ze met haar zolen nauw

kreukte 't kruidje van het velde,

dat gelaên was met de dauw.

Denk hoe 't binnenst van haar ziele

was van vrees in zware smart:

Gerard was haar op haar hielen,

Willem lag haar in haar hart.