De Wanner
G. Huberti
Aan u, gezwinde luchtjes,
die met uw zoete zuchtjes
door gansch de wereld zweeft.
Die met uw zang getoover doorruischt
het groene loover,
dat door uw adem beeft.
'k bied u zoo stil verscholen,
en leeljen en violen,
ook rozen frisch en schoon.
Die versch ontloken rozen,
die lief en geurig blozen,
uw zacht geruisch ten loon.
Door uwen zachten asem verdriff
den damp, den wasem,
gestegen uit den poel!
Terwijl ik m'overspanne en
zweetend koren wanne,
O blaas de velden koel.