Grafbloeme

E. Tinel

Daar bloeit, op het graf, een vergeet-mij-niet,

diep tusschen de treurende halmen.

Daar hijgt door de gerzen een rouwvol lied,

de vogelkens hoort men er psalmen.

Het houtene kruisken bedekt er den grond,

verbroken, vermolmd, verlaten;

Het klimmerblaadje slingert er rond --

Arme doode! Wat kan het u baten?

Daar ruischen winden over het graf

en laten hun "Requiem" hooren;

zij schudden van 't loover den dauwdrop af --

Die zal, wie daar sluimert, niet stooren!...

Daar bloeit op het graf een vergeet-mij-niet,

de vogelkens hoort men er psalmen -

Ach! zij, die daar sluimert, zij trilt bij het lied

en zucht... diep onder de halmen.