Schoonslaapsterken

E. Tinel

En 'k heb U in een droom gezien,

op het bruidsbed, - tusschen vier planken!

Gij laagt daar zoo blank in uw sneeuwen gewaad,

zoo rein was de lach op uw doode gelaat,

Schoonslaapsterken, - tusschen vier planken!...

En wonderer bloemen, in lentepracht,

ontsproten rond uwe sponde...

O schrik! aan uw rechterzijde, daar zat

de afschuwlike spinster, de Dood, en bad,

domslapend, naast uwe sponde!

Ik was, ach! de Prins, due u wekken moest:

" Schoonslaapsterken, wouds du ontwaken?" -

Ik zoende U zoo hoopvol, zoo minnend de wang,

ik noemde U bij naam en herhaalde 't zoo lang!

Maar de slapende spinster, die lachte!