Bij de zilversparren

M. de Jong

Bij de zilversparren-rijen is

een wereld van verblijen,

waar de held're droppels blinken,

suisel-lichte stemmen klinken.

Nu te luist'ren, nu te schouwen

naar het droomrig zilverblauwen,

naar de fijne parelkransen,

die op windewieg'ling dansen.

Wat toch zongen, wat verhaalden

al die fijne, scherpe naalden,

al die spelende edel-kleuren,

al die zangen, al die geuren?

Oberon, is dit uw woning,

zeg het mij, o elfenkoning,

komen straks de slanke scharen

met de groenig-gouden haren?

Werp ook mij een mantel om

in dit geurig heiligdom,

in dit oord van diep geluk,

'k wil een makker zijn van Puck.