Gelijk een woud
M. de Jong
Gelijk een woud, dat ééns de dansen zag
der schoone nimfen met de gouden tressen,
die stil staan als het hert zijn dorst komt lesschen
bij ' t open meir na ' t branden van den dag,
Bij ' t komen van den herfst àl schooner wordt
door praal van kleuren en hun tooverval
en van die pracht toch eenmaal scheiden zal;
met zachte schokjes zwiert het blad, dat stort:
Zóó leef ik in de stilte van mijn droom,
weet lied en reidans en het lachen luid
der nimfen en het klinken van de fluit,
Het gloeien van de kruinen, boom bij boom,
tot ik vervlietend in den Schoonen Schijn
één oogenblik mag groot- gelukkig zijn.